
Kreta is en eiland waarover veel verhalen worden verteld maar daarvan zijn er maar zeer weinige die objectieve informatie blijken te bevatten. Naar de geschiedenis van het eiland Kreta die natuurlijk eindeloos ver in het verleden teruggaat is veel onderzoek gedaan. Wie ook heeft er niet gehoord van het kleitablettenschrift dat in de ruines van de paleizen werd gevonden, het lineair b, dat volgens veel mensen niet te begrijpen valt? Of van de decoratieve kunstroming van de art deco of Jugendstil, de twee stijlen vormen eigenlijk één geheel in de ontwikkelingsgeschiedenis van het begin van de 20e eeuw en worden dikwijls in verband gebracht met de wandversieringen en andere vormen in de paleizen van Kreta aangebracht in de eerste helft van die eeuw volgens de toenmalig heersende opvattingen voor restauratie? En wie heeft er niet ooit van vernomen, dat alle kretenzers liegen volgens de kretenzer? Wat het dat laatste betreft, het is ook maar goed dat Clemens als oprechte blogeur, citaat president Hollande, zichzelf in deze geschiedenissen kan betrekken zonder aan de twijfel ten prooi te vallen dat hij dat ‘zichzelf’ daarmee op een voetstuk plaatst dat hem niet past.

Ik heb tesamen met een groep medestudenten in de jaren ’70, toen er nog gedacht werd dat ik op afroep een functie zou aanvaarden die van persooonlijk inzicht in maatschappelijke vraagstukken zou getuigen, een bezoek mogen brengen aan het wonderlijke eiland in die zee die daar geen duidelijk te benoemen eigen naam heeft, en ik heb bij dit bezoek mijn ogen en oren niet in mijn zak gehouden, terwijl ik liefde voor het eiland heb opgevat. Daarom ben ik min of meer niet onervaren met de beoordeling van de geschiedenis van het eiland en zijn mythologieën. Ook heb ik eens een vriend gehad,het was vriuj intiem en getrouw, die een wat tenger postuur had maar zich nogal martiaal kleedde, ik hertkende zijn karakter naar een aanvooelen dat vij is vanb eigen belangstellingen en riep vaak als hij binnekwamoof opbelde: ‘ah, le Prince aux fleurs de Lys’, naar een wanddecoratie in het Paleis van koning Minos waarop een prins wordt getoond met lelies . Antonius, die het wat al te gortig werd om telkens in de muur te verdwijnen, maar die zo’n duidelijke belangstelling aan de dag legde voor de art deco en voor de Jugendstil, werd het op den duur wat veel en hij heeft mij wat geërgerd op mijn woordelijk gedrag aangesproken met een licht brommen. Wij hebben er nooit meer over gesproken maar wat mij betreft heeft zijn gebrom goed gewerkt, er waren ook voor de geschiedeniswetenschap en voor de Clem zo van die grenzen weggelegd waar je wél wat aan kan hebben.

Wat het betref het eiland Kreta, zijn invloed en zijn gevolgen voor mijn verdere bestaan, moge het overduidelijk zijn dat ik maar weinig mede te delen heb want zoiets daar zegt het spreekwoord van: ‘dat verzin je toch niet?’. Wél is het daar gebeurd, dat ik met de teen van mijn sandaal tegen een zwaardere kei of voorwerp in de grond stootte toen wij daar zo om dat Paleis heen liepen over een vers opgeworpen aarden wal. Het voorwerp in kwestie bleek te gaan om het oor van zo een groot bewaarvat, dat in de oudheid werd gebruikt voor opslag vanallerlei voedsel en olie, en werd vervaardigd uit ruwe gebakken klei. Dat oor had ik zomaar opgeduikeld als in het bekende archeologische sprookje wel gebeurde, maar tot ieders teleurstelling schijf ik: de aarden wal waarop de vindplaats was, was betrekkelijk jong te heten , feitelijk niet ouder dan een maand voor datum opgeworpen, dat ik daar de waarheid van ook al inzag is een geheel andere vraag.
Gaarne vergelijk ik in geo-religieuze zin de steen die Jacob oprichtte en zalfde te Betel, nadat hij in de nacht de droom had gehad van de engelen die telkens op en neer een trap gingen om de Here prijzende en lovende te dienen, met een eiland van terzijde bespoeld waarop ik ook wat liep te dromen indien het is vergund daarover iets aardigs neer te schrijven.

Ik heb nog wat aardigs gevonden voor mijn ster-beleving:
Cliff-Randon – webster wood simplist
